Druk op enter om de resultaten te tonen of ESC om te annuleren.

‘Slechte’ gewoontes veranderen (1) – een kwestie van wilskracht?

Kleine en grote verslavingen, ‘slechte’ gewoontes: We staan allemaal weleens op een punt waarop we de balen hebben van ingebakken patronen in ons leven en ze willen aanpakken. En dit keer écht.
Het lijkt zo simpel, gewoon een kwestie van wilskracht oftewel zelfbeheersing. Maar op de een of andere manier vind je jezelf opeens weer terug op de bank met een inmiddels lege zak chips. Of heb je het schrijven van een stukje alweer weken voor je uit geschoven, en zou je dat het liefst nu nog een keertje doen.

Maar gaat het hier wel om wilskracht?
Dat je de wil hebt iets aan de zaken te veranderen is natuurlijk belangrijk. Om je patronen daadwerkelijk te veranderen is wilskracht alleen niet voldoende. Althans niet op de manier waarop we wilskracht gewoonlijk opvatten: als jezelf inhouden op het moment dat het erom gaat. Het is aangetoond is dat dit soort zelfbeheersing is als een vaatje dat op een gegeven moment leeg is. En dan ga je voor de bijl.

Als je inzoomt op hoe een ‘slechte’ gewoonte in werking gaat, kun je er verschillende momenten in onderscheiden. Doordat het bij ingesleten gewoontes gaat om automatismen, word je je van deze momenten pas bewust als je er even de tijd voor neemt.

  1. De situatie waarin je je bevindt.
    bv: Je komt moe thuis van je werk, ploft zoals gewoonlijk op de bank en zet de tv aan. Er is, zoals altijd, chips in huis.
  2. Het opkomende verlangen.
    Dit uit zich vooral als een lichamelijk gevoel, het laat zich ook wel voelen als een sfeer. Het is nog niet specifiek op iets gericht en het is ‘voorbewust’. Je kunt je er echter bewust van maken door je aandacht erop te richten.
    bv: Een gevoel van onrust, een knagend gevoel in je buik.
  3. Het richten van je aandacht. Dit is het moment waarop je selecteert. De ene optie trekt en andere opties verwerp je. Je kent waarde toe aan de dingen die bij je opkomen.
    bv: Je denkt aan de smaak van chips, voelt al hoe die kraakt als je erop kauwt, en dit komt je als erg aantrekkelijk voor. “Hmm, even lekker onderuit, lekker knagen, en verder niets hoeven.”
  4. Het grijpen naar – je gaat ervoor.
    Dit is het moment waarop je zelfbeheersing zou kunnen uitoefenen om jezelf tegen te houden. Of niet.
    bv: Je pakt de chips, neemt hem mee naar de bank terwijl je hem open maakt, en begint te eten. “Ik begin morgen wel met gezond doen”.
  5. Jezelf laten gaan. Dit is een moment van ontlading van spanning. Het is daarom vaak ook lastig jezelf hier nog bij te sturen.
    bv: Je eet de hele zak leeg.
  6. Het verwerken van de ervaring. Dit is het moment waarop je je voldaan kunt voelen, maar bij ‘slechte’ gewoontes voel je vaak spijt. Het is het moment waarop je kunt leren van de situatie.
    bv: Je zit op onaangename manier vol, voelt je vadsig en baalt van jezelf.

In de hele ervaring is er één moment waarop zelfbeheersing echt een rol speelt.
Doordat je je in allerlei dagelijkse situaties, zoals je werk, vaak al in meer of mindere mate moet beheersen, is het ‘vaatje’ met zelfbeheersing meestal leeg op het moment dat het op je ingebakken gewoonte aankomt.

Bij het succesvol aanpakken van gewoontes is het dus goed je te richten op alle momenten in de ervaring. Dit vraagt ook een vorm van wilskracht, maar niet de zogenaamde inhiberende (verbiedende, remmende) vorm. Het is eerder een faciliterende vorm van wilskracht, waarbij je jezelf in de situatie zo ondersteunt dat je meer keuzevrijheid krijgt.

Ga dus eens na wat er gebeurt op de verschillende momenten in je gewoonte en bedenk wat jou helpt om te zorgen dat je niet in de bekende groef schiet.

In het volgende stuk vertel ik meer over (1) de situatie.